| |
|
|
< Terug
Voorbereiding van een opstelling omtrent faalangst
Om een opstelling te kunnen doen, heb je allereerst informatie
over je familie en je loopbaan nodig. Je familie betreft het
gezin waar je in geboren bent, het gezin van je beide ouders,
grootouders of eventueel nog verder terug. Het gaat hierbij niet
om beschrijvingen van karakter, interesses of uitspraken, maar
om feitelijke gegevens.
De belangrijkste feiten hebben vaak met een zwaar lot van
familieleden te maken. Kijk of er binnen jouw familie in de
verschillende generaties sprake is van een dergelijk zwaar lot.
Daarnaast is het van belang om je (school)loopbaan onder de loep
te nemen en te onderzoeken welke feiten daarin cruciaal geweest
zijn voor jouw ontwikkeling.
Is er sprake van een zwaar lot binnen jouw familie in je eigen
generatie, die van je ouders of je grootouders? Denk dan aan
bijvoorbeeld de volgende gebeurtenissen/feiten:
- Vroege dood van kinderen of ouders
- Miskramen
- Abortus
- Zwaar ongeval of ziekte
- Lichamelijk of geestelijke handicaps
- Incest
- Onwettige kinderen
- Ongewenst kind
- Zware mishandeling of verwaarlozing
- Psychiatrische aandoeningen
- Zelfmoord
- Slachtoffer van misdrijf of moord
- Dader van misdrijf of moord
- Traumatisch oorlogsverleden (bijvoorbeeld in concentratiekamp)
- Collaboratie, verzet of onderduikers in de oorlog
- Opsluiting (bijvoorbeeld in gevangenis)
- Homoseksualiteit
- Uitstoting uit de familie
- Emigranten
- Vluchtelingen
- Vervolging vanwege religieuze of politieke overtuiging, ras,
seksuele voorkeur, etc.
- Faillissementen
- Financieel bedrog of bedrogen zijn
- Uit huis geplaatste kinderen
- Adoptie
- Plaatsing van kind in internaat of op kostschool
- Vermiste kinderen of ouders
- Onrechtmatige erfenissen
- Scheiding
- Complicaties bij geboorte
- Kinderen uit een ander huwelijk
- Eventuele familiegeheimen
- De leeftijd van betrokkenen daar waar sprake is van een zwaar
lot
Is er binnen je eigen (school)loopbaan sprake van een trauma?
Bijvoorbeeld door:
- Pesten op school (met je lees- en/of schrijfproblemen)
- Leraren die je hebben vernederd
- Ouders die je niet hebben gesteund in de lees- en/of
schrijfproblemen
- Uitgescholden zijn: dom, lui, oen, etc.
- Voor gek gezet zijn voor de hele klas
- Ontslagen zijn vanwege je dyslexie
- Gedegradeerd zijn vanwege je dyslexie
- Ontkend zijn in je kwaliteiten en wat je wel kunt
|
|




|
|